Verklarende woordenlijst.


AFSCHRIKKEN : Het snel afkoelen in water of olie.

AUSTENIET : Structuur van staal voordat het gehard kan worden.

AUSTENITEREN : op hardingstemperatuur brengen en deze temperatuur bepaalde tijd aanhouden.

BANDOVENS : Lange ovens waarbij de werkstukken via kettingen, banden, rollen of doorstoten, door de oven worden getransporteerd (massaproductie).
Meestal is er een afschrikbad in de lijn geïntegreerd, waarna de
werkstukken via een tweede transportband de installatie verlaten.

BAINITISCH HARDEN : Na austeniteren, afkoelen in een warm medium van ca. 240 - 350 °C en de werkstukken vervolgens gedurende lange tijd op deze temperatuur houden. Gevolgd door het in lucht verder naar kamertemperatuur te laten afkoelen met als doel, een maximale taaiheid te bereiken. Ontlaten is hierna niet meer noodzakelijk.

BESCHERMD HARDEN : In ovens voorzien van een retort, wordt het werkstuk gehard onder een beschermende gasatmosfeer, waardoor het oppervlak niet wordt aangetast. In plaats van inerte gassen kunnen ook zogenaamde actieve gassen worden toegevoegd, waarmee bijvoorbeeld genitreerd of gecarboneerd kan worden.

CARBONEREN : (ook wel inzetharden of cementeren genoemd). In de buitenkant van staal met laag koolstofgehalte wordt via een gas, poeder of zout C (koolstof) atomen in de huid gediffundeerd. Na snelle afkoeling ontstaat een harde laag met een dikte tot ca. 3 mm.

CARBONITREREN : Opname van zowel koolstof als stikstof in het staal, waarbij de koolstofopname domineert. In korte tijd wordt een laagdikte van ca. 0,2 mm verkregen.

CEMENTIET : Verbinding tussen ijzer en koolstof. Voorbeelden zijn: chroomcarbiden, vanadiumcarbiden enz.

DIEPKOELEN : Staal direct na het harden in bijvoorbeeld vloeibare stikstof overbrengen, om een zo compleet mogelijke transformatie van austeniet in martensiet te bereiken. Rest-austeniet te beperken met het doel, groei van het werkstuk in de tijd te minimaliseren.

DIFFUSIE : Het verplaatsen van deeltjes (atomen) van het ene materiaal naar het andere en andersom, waardoor bij HT-solderen een geleidelijke overgang ontstaat in de materiaalsamenstelling. Dit fenomeen vindt ook plaats bij Thermochemische processen.

FERRIET : Zachte ijzerkristallen

GASNITREREN : Opname van stikstof tot een diepte van ca. 0,6 mm. Het proces duurt lang en is slechts bij speciale nitreerstalen toepasbaar.

GETRAPT HARDEN : Na austeniteren afkoelen in een warm medium, korte tijd op temperatuur laten en daarna in lucht laten afkoelen. Hierna moet nog worden ontlaten. Deze methode heeft tot doel: minimale vervorming en het vermijden van scheurrisico's.

HARDEN : Het austeniteren en afkoelen met dusdanige snelheid dat in een groot deel van het werkstuk door martensietvorming een hardheidsverhoging optreedt.

HARDINGSDIEPTE : Afhankelijk van de legering, werkstukafmeting en afkoelmedium kan staal tot in de kern of tot een bepaalde diepte gehard worden. De gerealiseerde hardingsdiepte wordt bepaald met behulp van de Jominy-proef.

HD BRAZING : Een vorm van hoog temperatuur solderen waardoor een zeer hoogwaardige samenstelling ontstaat die in een hoog vacuüm omgeving kan worden toegepast.

HT SOLDEREN : Dit betreft alle soldeerbewerkingen vanaf een temperatuur van ca 800⁰C.

INDUCTIEHARDEN : Via een stroomspoel wordt door het wisselende magnetisch veld en de weerstand van het staal, warmte ontwikkeld en kan het staal tot een bepaalde diepte onder het oppervlak (ruwweg van 1 tot 5 mm) worden gehard. Dit proces wordt gebruikt bij het plaatselijk harden.

ISOTHERM HARDEN : Na austeniteren afkoelen in een warm medium en de werkstukken vervolgens gedurende lange tijd op deze temperatuur houden. Hierna wordt in de lucht naar kamertemperatuur afgekoeld, met als doel een maximale taaiheid te bereiken. Ontlaten is hierna niet meer noodzakelijk.

KAMEROVENS : Gas- of elektrisch verhit. Deze oventypen worden veel gebruikt in gereedschapmakerijen, gloeibedrijven en vele andere takken van industrie.

KLOKOVENS : Hierin worden de te harden/te gloeien werkstukken op een vaste bodem geplaatst, waarna de klok er overheen wordt gezet.
Voorbeelden zijn het hardengloeien van rollen draad en band.

KOOLSTOF (C) : Onmisbaar element dat nodig is om staal te kunnen harden. De zachte koolstof (grafiet) is niet als zodanig in het staal aanwezig, doch heeft zich met het aanwezige ijzer (ferriet) tot ijzercarbide verbonden.

LUCHTCIRCULATIEOVENS : Voorzien van een ventilator om ook bij lagere temperaturen een goede warmteoverdracht te garanderen.

LEDEBURIET : Een surplus aan koolstof dat buiten het cementiet als zogenaamde dubbel- of complexe carbiden aanwezig is. Ledeburiet is moeilijk oplosbaar en zeer hard.

MARTENSIET : Structuur van staal nadat het gehard is.

MAGNETISCH GLOEIEN : Het beïnvloeden van de magnetische eigenschappen (veelal verminderen) van de magnetische eigenschappen, door middel van een gloeiproces bij staal.

NITREREN : In het oppervlak van staal tijdens een gloeiproces (vanuit een stikstof afgevend medium), stikstof laten diffunderen, waardoor een dun, bijzonder slijtvast en harde laag ontstaat.

NITROCARBONEREN : Opname van zowel stikstof als koolstof in het staal, waarbij de stikstofopname domineert. Hier zijn vele varianten mogelijk.

NITROTEC® : Het nitrocarboneren van niet of laag gelegeerd materiaal, gevolgd door een oxidatiebehandeling. Hierdoor ontstaat een hard slijtvast oppervlak met corrosiebestendige eigenschappen.

OPDAMPEN : Wordt ook aangeduid met CVD (=Chemical Vapour Deposition) en bestaat uit het bedekken van materialen met een buitengewoon slijtvaste coating van titaancarbide (TiC) of titaannitride (TiN). Een filmpje van 2 - 20 micron wordt in een reactorvat bij temperaturen tussen 800 en 1050 °C 'opgedampt'. Er zijn diverse varianten mogelijk zoals chroom- en wolframcarbiden, nitriden en boriden. Vaak kan het harden met de CVD behandeling gecombineerd worden, waarbij in het algemeen luchthardend staal wordt toegepast. Bij het PVD procedé (= Physical Vapour Deposition) wordt op lagere temperaturen (tussen 80 en 150 °C) 'opgedampt'. De laagdikte is 2 - 5 micron. Dit procedé wordt vaak toegepast voor het coaten van boren, frezen en ruimers, die veelal vooraf gehard worden.

OPLOSGLOEIEN : Het oplosgloeien dient om de eventueel aanwezige uitscheidingen in oplossing brengen.

ONTKOLEN : Verbranden van de koolstof uit het staaloppervlak in roodhete toestand, waardoor o.a. een lelijk uiterlijk en een te lage hardheid ontstaat. Daarom moet de aanwezige lucht, door verhitting onder beschermgas of vacuüm , van het staaloppervlak weggehouden worden.
ONTLATEN : De spanningen die zijn ontstaan door het harden, worden door opnieuw te verhitten weggenomen met een gering verlies aan hardheid.

OPKOLEN : Zie onder Carboneren.

PATENTEREN : Warmtebehandeling van draad en band om vóór de behandeling koudtrekken, een gunstige structuur te realiseren.

PERLIET : Uitgangsstructuur van staal in zachte toestand, bestaande uit Ferriet en ijzer/koolstofcarbiden (het z.g. Cementiet).

PLASMANITREREN : (ook wel ionitreren genoemd)Hierbij wordt het nitreergas geleidend en fungeert het werkstuk in een retort als kathode. Hierdoor ontstaat een plasma van stikstofionen die het oppervlak 'bombarderen'. Op deze wijze kan men ook carboneren (plasma-carboneren).

POLYMEREN : Synthetische afschrikmiddelen met instelbare afkoelsnelheid.

PRECIPITATIEHARDEN : Precipitatieharden wordt toegepast op legeringen met een of meer elementen die slecht in de matrix oplosbaar zijn. Het gaat hier vaak om RVS varianten.

REDUCEREN : Onder invloed van een vacuümatmosfeer of gas (vaak waterstofgas), wordt het oppervlak van een werkstuk blank.

RESTAUSTENIET : Tijdens het harden wordt niet alle austeniet in harde martensiet omgezet, waardoor een bepaald percentage restausteniet overblijft.

SCHACHTOVENS : Ovens met cilindrische doorsnede die vaak in de vloer worden verzonken. Zij zijn specifiek geschikt voor het warmtebehandelen van lange en staafvormige werkstukken.

SPANNINGSARM GLOEIEN : Het minimaliseren van interne spanningen door middel van een gloeibehandeling. Deze spanningen zijn ingebracht tijdens de staalproductie of het verspanen.

STAINIHARD® :Een nitrocarboneer proces voor austenitisch RVS.

THERMOCHEMISCHE : verzamelnaam voor processen waarbij van buitenaf in het HARDINGSPROCESSEN staaloppervlak andere elementen diffunderen bijvoorbeeld: nitreren, carboneren, inchromeren enz.

VACUÜMHARDEN : Hierbij wordt het werkstuk verhit in een oven met vacuümatmosfeer. Hierdoor blijft het oppervlak volledig blank. Nadat het werkstuk onder vacuüm is geausteniteerd wordt het door middel van stikstof, onder hoge druk afgeschrikt . Hierbij bereikt men afkoelsnelheden waarmee olieafkoeling kan worden vervangen.

VEREDELEN : Na het harden hoog ontlaten > 500 °C, waardoor een 'taaiharde' fijne veredelingsstructuur ontstaat. Het proces vindt een enorm toepassingsgebied in de machine- en motorenbouw.
 

VEROUDEREN : Gehard staal lange tijd blootstellen aan een temperatuur onder ca. 120 °C. Tussentijds afkoelen in koud water, om trage veranderingen in de fijnstructuur, die op de lange duur kleine maatveranderingen tengevolge zouden kunnen hebben (bijv. kalibers), zoveel mogelijk te vermijden. Een krachtiger effect bereikt men met diepkoelen.

VLAKGOEIEN : Het door middel van een gloeiproces vlak(ker) krijgen van een werkstuk. Daarvoor worden gewichten op het werkstuk aangebracht tijdens het gloeiproces.

VLAMHARDEN : Waarbij het staaloppervlak tot op een diepte variërend van 2 tot 10 mm. met een brander snel wordt verhit en direct daarop met watersproeiers wordt afgeschrikt. Het proces wordt meestal toegepast in de machinebouw met lager gelegeerde staalsoorten zoals C45 of 1.7033.

VORMVERANDERING : (kromtrekken) Verandering van de maat of de vorm van een werkstuk door warmtebehandeling.

 
 
Sitemap     Leveringsvoorwaarden     Impressum     Credits     Persberichten Stainihard     Working Standard H&ST